Werkwijze van Oudsher

Zoals voornamelijk in Brabant al heel lang gebruikelijk is, werken wij nog steeds - indien  mogelijk - met zogenaamde "toppen" in de dakvoet. Dit is een al generaties lang beproefde methode, - oorspronkelijk geboren uit noodzaak - om het vroegere zeer lange riet van wel 2,5 tot 3 meter lang, wat men oogste uit de Biesbosch, te kunnen verwerken. Het riet werd gesneden tot lengtes van +/- 1 mtr. à 1.10 mtr. Bij boslengtes van 3 meter werd het tweemaal gesneden zodat men 2 bossen overhield en een bos "toppen". De toppen werden vervolgens aan het begin van het dakvlak ( Ook wel de 'voet' genoemd ) gebruikt, en het gesneden riet werd verderop in het dak gebruikt. Vaak verder de laatste 3/4/ of 5 lagen wederom van toppen gemaakt, dit was afhankelijk van het beschikbare aantal. Zoals bekend gooide men vroeg niets weg. Er zijn daken bekend die op deze wijze gedekt zijn, waarvan het rietpakket  60 à 70 jaar gelegen heeft.

Tegenwoordig is het riet niet meer zo lang, dat er nog zoveel bossen gesneden kunnen worden voor het dichtleggen van een compleet dak, en wordt het daarom gemengd met langere bossen riet. De oorzaak hiervan is niet dat het riet minder goed groeit, maar dat de vraag naar riet in de loop der jaren is toegenomen, en het riet gewoonweg geen kans krijgt zeer lang te groeien. Het wordt al eerder gemaait.

Het voordeel van het beginnen met toppen en het gebruik van gesneden riet, is dat je een grotere slijtlaag creëerd. Dat is de afstand van de buitenkant van het dak tot aan de binddraad, waarmee het riet op latten - evt. op de dakplaten - zit vastgebonden. Als deze binddraad van buitenaf in het zicht komt, is het dak versleten, vandaar de naam slijtlaag. Hoe dikker de slijtlaag, hoe langer normaliter de levensduur van een rieten dak zal zijn.